Woordsoorten oefenen
Woordsoorten zijn groepen woorden die dezelfde taak hebben in een zin. Een zelfstandig naamwoord noemt een mens, dier of ding, een werkwoord zegt wat er gebeurt en een bijvoeglijk naamwoord zegt hoe iets is. Met deze werkblaadjes leert een kind de woordsoorten herkennen, eerst in losse zinnen en daarna in korte verhalen.
- Oefeningen
- 46
- Ook online
- 46
- Leerjaren
- Derde tot zesde leerjaar
- Oplossingsblad
- Bij elk werkblad



Gemaakt door logopedisten en leerkrachten uit de praktijk
Bijgewerkt op
Zo ziet een werkblad eruit
Echte voorbeeldbladen, zoals je ze uit De Oefenfabriek print. Klik om te vergroten.

Werkwoorden herkennen (1 per zin)

Werkwoorden herkennen (1 per zin)

Bijvoeglijke naamwoorden herkennen (meerdere per zin)
Probeer het zelf
Zo ziet een online oefening eruit voor je leerling. Vul ze in en zie meteen de score. Er wordt niets opgeslagen.
Werkwoorden herkennen (1 per zin)
10 zinnen. Omcirkel het werkwoord in elke zin.
- In dat restaurant werken veel vriendelijke mensen.
- Het huis heeft een deur en een raam.
- Ik zie mijn spoor in de sneeuw.
Zonder account. Er wordt niets bewaard.
Welke woordsoorten leert een kind in de lagere school?
In de lagere school leert een kind de woordsoorten die het vaakst voorkomen. Volgens de minimumdoelen Nederlands kent een kind tegen het einde van het vierde leerjaar het zelfstandig naamwoord, het bijvoeglijk naamwoord, het lidwoord, het telwoord, het voorzetsel, het voegwoord en het werkwoord. Het voornaamwoord volgt later.
Elke woordsoort heeft een eigen taak. Sommige woorden noemen iets, andere zeggen wat er gebeurt, nog andere verbinden zinnen of geven een plaats aan. Een kind dat die taken begrijpt, kan ook bij onbekende woorden afleiden tot welke soort ze horen.
Een bijzondere groep zijn de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden. Ze zeggen waarvan iets gemaakt is, zoals een houten tafel of een gouden ring. Ze krijgen in De Oefenfabriek een eigen reeks, omdat ze vaak op -en eindigen en daardoor met werkwoorden verward worden. De tabel geeft per woordsoort een voorbeeld.
| Woordsoort | Wat het woord doet | Voorbeeld |
|---|---|---|
| Zelfstandig naamwoord | Noemt een mens, dier, ding of begrip | De hond slaapt. |
| Werkwoord | Zegt wat iemand doet of wat er gebeurt | De hond slaapt. |
| Lidwoord | Staat voor een zelfstandig naamwoord: de, het, een | Het paard eet hooi. |
| Bijvoeglijk naamwoord | Zegt hoe iets of iemand is | Ik heb een rode fiets. |
| Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord | Zegt waarvan iets gemaakt is | Oma heeft een houten kist. |
| Voorzetsel | Geeft vaak een plaats, richting of tijd aan | De kat zit op de stoel. |
| Voegwoord | Verbindt woorden of zinnen | Ik blijf thuis, want ik ben ziek. |
Hoe herken je een zelfstandig naamwoord, werkwoord en bijvoeglijk naamwoord?
Kinderen herkennen woordsoorten makkelijker met een vast proefje dan met een definitie.
Voor een zelfstandig naamwoord kun je de, het of een zetten, en meestal kun je er een meervoud van maken: de bal, de ballen. Ook begrippen die je niet kunt aanraken, zoals de vreugde, horen erbij.
Een werkwoord kun je vervoegen. Zet er ik of wij voor, of zet de zin in een andere tijd: ik loop, wij lopen, ik liep. Verandert het woord mee, dan is het een werkwoord.
Een bijvoeglijk naamwoord past tussen het lidwoord en het zelfstandig naamwoord: de grote bal. Je kunt het ook achter is zetten: de bal is groot. Soms krijgt het een -e erbij, zoals in de grote bal tegenover een groot huis.
Lidwoorden zijn het eenvoudigst: er zijn er maar drie, namelijk de, het en een. Laat een kind die eerst vinden; het woord erachter is dan vaak een zelfstandig naamwoord.
Wat is het verschil tussen een voorzetsel en een voegwoord?
Voorzetsels en voegwoorden zijn allebei korte woordjes, en kinderen halen ze makkelijk door elkaar.
Een voorzetsel staat voor een woordgroep en geeft vaak aan waar, wanneer of hoe iets gebeurt. Voorbeelden zijn in, op, onder, naast, naar, met, na en tijdens. In de zin 'De bal ligt onder de tafel.' is onder het voorzetsel. Na een voorzetsel volgt geen nieuwe zin met een eigen werkwoord.
Een voegwoord verbindt woorden of zinnen. Voorbeelden zijn en, maar, of, want, omdat, als, dat en toen. In de zin 'Ik ga naar buiten, want de zon schijnt.' verbindt want twee zinnen die elk een eigen werkwoord hebben.
Een handig proefje: staat er na het woordje een stukje zin met een eigen werkwoord, dan is het meestal een voegwoord. Vergelijk 'Na de les spelen we.' met het voorzetsel na, en 'Nadat de les gedaan is, spelen we.' met het voegwoord nadat.
Welke oefeningen op woordsoorten maak je in De Oefenfabriek?
Er zijn 46 oefeningen, verdeeld over werkwoorden, lidwoorden, zelfstandige naamwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden, voorzetsels, voegwoorden en een mix van woordsoorten. Elke oefening bestaat in een makkelijke en een moeilijke versie.
De meeste woordsoorten hebben drie oefenvormen: één woord zoeken per zin, alle woorden van die soort zoeken in een zin en alle woorden zoeken in een kort verhaal. Bij werkwoorden is er ook een oefening waarin een woord al omcirkeld staat en het kind beslist of het echt een werkwoord is. Bij lidwoorden vult het kind zelf de, het of een in. Op de mixbladen omcirkelt het kind vier woordsoorten, elk in een eigen kleur.
Bij elk blad hoort een oplossingsblad. Online tikt het kind de woorden aan en ziet het meteen wat juist was; je zet de oefening klaar als huiswerk met een link of QR-code.
- Eén woord per zin omcirkelen
- Alle woorden van één soort in een zin omcirkelen
- Alle woorden van één soort in een verhaal omcirkelen
- Werkwoorden: ja of nee bij een omcirkeld woord
- Lidwoorden invullen: de, het of een
- Mix: vier woordsoorten in vier kleuren
Alle oefeningen woordsoorten
46 werkbladen, waarvan 46 ook online te spelen. Elk werkblad stel je zelf in: aantal vragen, lettertype en moeilijkheid.
Makkelijk
- Werkwoorden herkennen (1 per zin)online
- Werkwoorden herkennen (ja/nee)online
- Werkwoorden in verhaalonline
- Lidwoorden herkennen (1 per zin)online
- Lidwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Lidwoorden invullenonline
- Lidwoorden in verhaalonline
- Zelfstandige naamwoorden herkennen (1 per zin)online
- Zelfstandige naamwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Zelfstandige naamwoorden in verhaalonline
- Bijvoeglijke naamwoorden herkennen (1 per zin)online
- Bijvoeglijke naamwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Bijvoeglijke naamwoorden in verhaalonline
- Alle woordsoorten herkennen - Zinnenonline
- Alle woordsoorten herkennen - Verhaalonline
- Stoffelijke bvn herkennen (1 per zin)online
- Stoffelijke bvn herkennen (meerdere per zin)online
- Stoffelijke bvn in verhaalonline
- Voorzetsels herkennen (1 per zin)online
- Voorzetsels herkennen (meerdere per zin)online
- Voorzetsels in verhaalonline
- Voegwoorden herkennenonline
- Voegwoorden in verhaalonline
Moeilijk
- Werkwoorden herkennen (1 per zin)online
- Werkwoorden herkennen (ja/nee)online
- Werkwoorden in verhaalonline
- Lidwoorden herkennen (1 per zin)online
- Lidwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Lidwoorden invullenonline
- Lidwoorden in verhaalonline
- Zelfstandige naamwoorden herkennen (1 per zin)online
- Zelfstandige naamwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Zelfstandige naamwoorden in verhaalonline
- Bijvoeglijke naamwoorden herkennen (1 per zin)online
- Bijvoeglijke naamwoorden herkennen (meerdere per zin)online
- Bijvoeglijke naamwoorden in verhaalonline
- Alle woordsoorten herkennen - Zinnenonline
- Alle woordsoorten herkennen - Verhaalonline
- Stoffelijke bvn herkennen (1 per zin)online
- Stoffelijke bvn herkennen (meerdere per zin)online
- Stoffelijke bvn in verhaalonline
- Voorzetsels herkennen (1 per zin)online
- Voorzetsels herkennen (meerdere per zin)online
- Voorzetsels in verhaalonline
- Voegwoorden herkennenonline
- Voegwoorden in verhaalonline
Welke minimumdoelen oefen je hiermee?
Een greep uit de Vlaamse minimumdoelen waar deze oefeningen bij aansluiten. Alle minimumdoelen bekijken
Nederlands, 4de leerjaar, doel 1.4.9
De leerlingen kennen woorden:
Past hier goed bij
Veelgestelde vragen
Is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord een werkwoord?
Nee. Woorden zoals houten, wollen en gouden eindigen op -en, net als veel werkwoorden, maar ze zeggen waarvan iets gemaakt is. Zet ze tussen lidwoord en zelfstandig naamwoord, zoals de houten stoel, en je ziet dat het een bijvoeglijk naamwoord is.
Is een eigennaam ook een zelfstandig naamwoord?
Ja. Namen van personen, steden of landen, zoals Lotte of Gent, zijn zelfstandige naamwoorden. Ze krijgen een hoofdletter en meestal geen lidwoord.
Welke woordsoort oefen je het best eerst?
Veel leerkrachten starten met zelfstandige naamwoorden en lidwoorden, omdat die het makkelijkst te herkennen zijn. Daarna volgen werkwoorden en bijvoeglijke naamwoorden. De volgorde van je taalmethode is een goede leidraad.
Wat is het verschil tussen makkelijk en moeilijk?
De makkelijke versie gebruikt kortere en eenvoudigere zinnen. De moeilijke versie heeft langere en complexere zinnen, zodat het kind beter moet kijken.
Woordsoorten oefenen met je eigen werkblad
Kies een oefening, stel ze in en print. De oplossingen krijg je er gratis bij.