Werkwoordspelling draait om drie vragen: wat is de stam, wat is het onderwerp, en in welke tijd staat de zin. Hier vind je de regels kort uitgelegd en maak je gratis werkbladen per werkwoordsoort, in tegenwoordige en verleden tijd, telkens met antwoordsleutel.
Per regel zijn er aparte oefenreeksen. Je kiest zelf de oefenvorm: alleen vervoegen, eerst de stam zoeken en dan vervoegen, of eerst het onderwerp aanduiden en dan vervoegen.
De stam is het hele werkwoord zonder -en: werken wordt werk, spelen wordt speel. Vanuit de stam bouw je elke vervoeging op. Daarom oefenen de werkbladen eerst stam en vervoeging samen.
Bij hij, zij of het schrijf je stam + t: hij werkt, zij speelt. Bij ik schrijf je alleen de stam. Twijfel je over dt? Vervang het werkwoord door lopen: hoor je loopt, dan eindigt het op t, dus wordt het bijvoorbeeld hij vindt.
Eindigt de stam op een medeklinker uit 't kofschip (t, k, f, s, ch, p), dan krijgt de verleden tijd -te of -ten. Anders wordt het -de of -den: werken werd werkte, spelen werd speelde.
Bij werkwoorden als leven en verhuizen verandert de v in f en de z in s in de stam, maar de verleden tijd krijgt toch -de: leven, ik leef, ik leefde. Voor deze lastige groep zijn er aparte werkbladen.
Werkwoorden als maken en pakken volgen bij het vervoegen de regels van verenkelen en verdubbelen: ik maak met dubbele a, wij pakken met dubbele k. Ook hiervoor bestaat een eigen oefenreeks.
Scheidbare werkwoorden zoals opruimen vallen in de zin uit elkaar: ik ruim mijn kamer op. Onregelmatige werkwoorden zoals lopen en eten veranderen van klank in de verleden tijd: liep, at. Beide groepen hebben eigen werkbladen.
Bouw op van de basisregel naar de uitzonderingen, en oefen elke stap eerst in de tegenwoordige tijd voor je naar de verleden tijd gaat.
Kies een werkwoordsoort en een tijd, en print direct. Gratis en met antwoordsleutel.