Rijmen, auditieve synthese en andere oefeningen voor kleuters.
19 oefeningen
Verbind de woorden die rijmen met elkaar
Kleur het vinkje als de woorden rijmen, het kruisje als ze niet rijmen
Kleur de twee prenten die rijmen in dezelfde kleur
Zet een kruisje door de prent die niet rijmt
Teken een woord dat rijmt met de prent
Verbind de woorden die rijmen met elkaar
Kleur het vinkje als de woorden rijmen, het kruisje als ze niet rijmen
Kleur de twee prenten die rijmen in dezelfde kleur
Zet een kruisje door de prent die niet rijmt
Teken een woord dat rijmt met de prent
Voeg twee klanken samen (oo-g → oog). Kleur de juiste prent in.
Voeg twee klanken samen (f-ee → fee). Kleur de juiste prent in.
Voeg drie klanken samen (b-a-l → bal). Kleur de juiste prent in.
Voeg vier klanken samen (s-p-i-n → spin). Kleur de juiste prent in.
Voeg vier klanken samen (t-a-n-d → tand). Kleur de juiste prent in.
Voeg vier klanken samen (gemengd). Kleur de juiste prent in.
Voeg vijf klanken samen (k-r-a-n-t → krant). Kleur de juiste prent in.
Voeg vijf klanken samen (s-t-r-i-k → strik). Kleur de juiste prent in.
Voeg vijf klanken samen (d-o-r-s-t → dorst). Kleur de juiste prent in.
156 oefeningen
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 5.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Tel de prenten en teken 1 meer, 1 minder of evenveel.
Hoeveel tel je? Schrijf het cijfer.
Verbind het aantal met de juiste dobbelsteen.
Omcirkel groepjes van 10.
Tel de voorwerpen bij elkaar. Hoeveel heb je dan?
Trek de doorgestreepte voorwerpen eraf. Hoeveel blijven er over?
Knip de prenten uit en plak ze op volgorde van klein naar groot.
Omcirkel telkens het voorwerp aan de juiste kant.
4 oefeningen
Trek de letters over.
Trek de klanken over.
Oefen het schrijven van je voornaam door deze over te trekken
Oefen fijne motoriek door patronen over te trekken (zigzag, golven, boogjes, lusjes)
Maak gratis een account aan en genereer direct je eerste oefening.