Van basis rekenen tot meetkunde, breuken, klokken en maten omzetten.
20 oefeningen
Meet hoeken met een gradenboog
Teken hoeken met een geodriehoek
Benoem verschillende vlakke figuren
Kleur de juiste aanzichten van het bouwsel in.
Meet lijnstukken met een liniaal
Bereken de omtrek van verschillende figuren
Bereken de oppervlakte van verschillende figuren
Zet lengtematen om (km, m, dm, cm, mm)
Zet inhoudsmaten om (l, dl, cl, ml)
Zet gewichtsmaten om (kg, hg, g, mg)
Zet oppervlaktematen om (m², dm², cm², mm²)
Benoem het hoektype van elke driehoek (scherphoekig, rechthoekig, stomphoekig)
Kleur driehoeken op basis van hun hoektype
Tel het aantal scherpe, stompe en rechte hoeken
Benoem het zijdetype van elke driehoek (gelijkzijdig, gelijkbenig, ongelijkbenig)
Kleur driehoeken op basis van hun zijdetype
Bepaal het type driehoek aan de hand van de zijlengtes
Benoem zowel het hoektype als het zijdetype van elke driehoek
Bepaal of stellingen over driehoeken waar of niet waar zijn
Teken driehoeken op basis van beschrijvingen
61 oefeningen
Lees de analoge klok af tot op het uur
Lees de analoge klok af tot op het half uur
Lees de analoge klok af tot op het kwartier
Lees de analoge klok af tot op 10 minuten
Lees de analoge klok af tot op 5 minuten
Lees de analoge klok af tot op de minuut nauwkeurig
Lees de klok af.
Lees digitale klokken af tot op het uur (voormiddag: 00:00-11:59)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op het kwartier (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op de minuut (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op het uur (namiddag: 12:00-23:59)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op het kwartier (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op de minuut (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op het uur (24-uurs formaat)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur
Lees digitale klokken af tot op het kwartier
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op de minuut nauwkeurig
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:00)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:30)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:15)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:40)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:45)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:47)
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 1 minuut)
9 oefeningen
Lees de temperatuur af op de thermometer (alleen positieve temperaturen)
Lees de temperatuur af op de thermometer (alleen negatieve temperaturen)
Lees de temperatuur af op de thermometer (positief en negatief door elkaar)
Vergelijk twee temperaturen met < > = (alleen positieve temperaturen)
Vergelijk twee temperaturen met < > = (alleen negatieve temperaturen)
Vergelijk twee temperaturen met < > = (positief en negatief door elkaar)
Bereken het verschil tussen twee temperaturen (alleen positieve temperaturen)
Bereken het verschil tussen twee temperaturen (alleen negatieve temperaturen)
Bereken het verschil tussen twee temperaturen (positief en negatief door elkaar)
40 oefeningen
Kleur alle centen in, laat de euro munten en biljetten leeg
Kleur alle euro munten (1 en 2 euro) in, laat de centen en biljetten leeg
Kleur alle biljetten in, laat de munten en centen leeg
Zet de munten in volgorde van laag naar hoog
Zet de munten in volgorde van hoog naar laag
Omcirkel het bedrag dat het meeste waard is
Vul het juiste teken in: < (kleiner), > (groter) of = (gelijk)
Tel de munten en biljetten bij elkaar op
Trek de bedragen van elkaar af. Hoeveel houd je over?
Kleur de munten en biljetten in die je nodig hebt voor dit bedrag
Maak het bedrag met zo min mogelijk munten en biljetten
Trek een lijn tussen de munten en het juiste bedrag
Zet een rondje om de geldstukken die je nodig hebt voor het bedrag.
Verbind het goedkoopste voorwerp met het woord goedkoopst
Verbind elk voorwerp met de prijs die je denkt dat het ongeveer kost
Verbind de afbeeldingen met de juiste prijs.
Je hebt een bepaald bedrag - kruis aan wat je wel/niet kunt kopen
Bereken hoeveel geld je nog nodig hebt om iets te kopen
Bereken de nieuwe prijs na de korting.
Bereken de korting en de nieuwe prijs.
Lees en bereken de korting en de nieuwe prijs.
Vul de tabel aan.
Lees en bereken de intrest en het eindbedrag.
Bereken het BTW-bedrag en de prijs met BTW.
Bereken het BTW-bedrag en de prijs zonder BTW.
Bereken het wisselgeld.
Bereken het wisselgeld bij kleine bedragen.
Bereken het wisselgeld bij grotere bedragen.
Bereken het wisselgeld.
Hoeveel moet erbij om het juiste bedrag te krijgen?
Lees en bereken het wisselgeld.
Bereken het wisselgeld met euro's en centen.
Bereken het wisselgeld bij halve euro's.
Lees en bereken het wisselgeld.
Bereken het wisselgeld met centen.
Bereken het wisselgeld bij moeilijke bedragen.
Tel de prijzen samen en bereken het wisselgeld.
Het wisselgeld is fout. Schrijf het juiste antwoord.
Bereken het wisselgeld voor elk betaalbedrag.
Schat eerst het wisselgeld, en bereken het dan precies.
26 oefeningen
Reken de sommen uit.
Reken de sommen uit.
Oefen de tafel van 1 (1×1 tot 1×10)
Oefen de tafel van 2 (2×1 tot 2×10)
Oefen de tafel van 3 (3×1 tot 3×10)
Oefen de tafel van 4 (4×1 tot 4×10)
Oefen de tafel van 5 (5×1 tot 5×10)
Oefen de tafel van 6 (6×1 tot 6×10)
Oefen de tafel van 7 (7×1 tot 7×10)
Oefen de tafel van 8 (8×1 tot 8×10)
Oefen de tafel van 9 (9×1 tot 9×10)
Oefen de tafel van 10 (10×1 tot 10×10)
Reken de sommen uit.
Reken de sommen uit.
Oefen de deeltafel van 1 (1÷1 tot 10÷1)
Oefen de deeltafel van 2 (2÷2 tot 20÷2)
Oefen de deeltafel van 3 (3÷3 tot 30÷3)
Oefen de deeltafel van 4 (4÷4 tot 40÷4)
Oefen de deeltafel van 5 (5÷5 tot 50÷5)
Oefen de deeltafel van 6 (6÷6 tot 60÷6)
Oefen de deeltafel van 7 (7÷7 tot 70÷7)
Oefen de deeltafel van 8 (8÷8 tot 80÷8)
Oefen de deeltafel van 9 (9÷9 tot 90÷9)
Oefen de deeltafel van 10 (10÷10 tot 100÷10)
Reken de sommen uit.
Reken de sommen uit.
144 oefeningen
Splits getallen tot 10 in verschillende combinaties (elkaar, hartjes, plus)
Twee getallen gegeven, vul het totaal in (omgekeerde splitsing)
Tel eenheden op tot 10
Trek eenheden af van 10
Trek eenheden af tot 10
Los de sommen op.
Tel eenheden op bij een tiental
Tel een tiental op bij eenheden
Tel eenheden op zonder overschrijding
Trek eenheden af zonder overschrijding
Trek eenheden af van 20
Trek getallen af tot 20 zonder overschrijding
Tel eenheden op met overschrijding van de tien
Trek eenheden af met onderschrijding van de tien
Los de sommen op.
Splits getallen tot 20 in verschillende combinaties
Twee getallen gegeven, vul het totaal in (omgekeerde splitsing)
Tel tientallen bij elkaar op
Tel een eenheid bij een tiental op
Tel een tiental bij een eenheid op
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Tel een tiental bij een tiental-eenheid op
Tel een tiental-eenheid bij een tiental op
Los de sommen op.
Trek tientallen van elkaar af
Los de sommen op.
Trek een tiental af van een tiental-eenheid
Los de sommen op.
Trek een eenheid af van een tiental
Trek een tiental-eenheid af van een tiental
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Tel twee tiental-eenheden bij elkaar op met brug
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Optellen van honderdtal en eenheid (bijv. 300 + 5 = 305)
Optellen van honderdtal en tiental (bijv. 300 + 40 = 340)
Optellen van honderdtallen (bijv. 300 + 400 = 700)
Optellen van honderdtal en honderdtal met tiental (bijv. 300 + 140 = 440)
Optellen van honderdtal en honderdtal met eenheid (bijv. 300 + 105 = 405)
Optellen van honderdtal en tiental met eenheid (bijv. 300 + 45 = 345)
Optellen van honderdtal en volledig getal (bijv. 300 + 145 = 445)
Optellen van honderdtal met tiental en eenheid (bijv. 340 + 5 = 345)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental (bijv. 340 + 20 = 360)
Optellen van honderdtal met tiental en honderdtal (bijv. 340 + 200 = 540)
Optellen van twee honderdtallen met tientallen (bijv. 340 + 220 = 560)
Optellen van honderdtal met tiental en honderdtal met eenheid (bijv. 340 + 205 = 545)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met eenheid (bijv. 340 + 25 = 365)
Optellen van honderdtal met tiental en volledig getal (bijv. 340 + 125 = 465)
Optellen van honderdtal met eenheid en eenheid (bijv. 305 + 2 = 307)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental (bijv. 305 + 20 = 325)
Optellen van honderdtal met eenheid en honderdtal (bijv. 305 + 200 = 505)
Optellen van honderdtal met eenheid en honderdtal met tiental (bijv. 305 + 220 = 525)
Optellen van twee honderdtallen met eenheden (bijv. 305 + 202 = 507)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental met eenheid (bijv. 305 + 22 = 327)
Optellen van honderdtal met eenheid en volledig getal (bijv. 305 + 122 = 427)
Optellen van tiental met eenheid en eenheid (bijv. 45 + 2 = 47)
Optellen van tiental met eenheid en tiental (bijv. 45 + 20 = 65)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal (bijv. 45 + 300 = 345)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met tiental (bijv. 45 + 320 = 365)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met eenheid (bijv. 45 + 302 = 347)
Optellen van twee tientallen met eenheden (bijv. 45 + 23 = 68)
Optellen van tiental met eenheid en volledig getal (bijv. 45 + 323 = 368)
Optellen van volledig getal en eenheid (bijv. 345 + 2 = 347)
Optellen van volledig getal en tiental (bijv. 345 + 20 = 365)
Optellen van volledig getal en honderdtal (bijv. 345 + 200 = 545)
Optellen van volledig getal en honderdtal met tiental (bijv. 345 + 220 = 565)
Optellen van volledig getal en honderdtal met eenheid (bijv. 345 + 202 = 547)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid (bijv. 345 + 22 = 367)
Optellen van twee volledige getallen (bijv. 345 + 222 = 567)
Optellen van twee tientallen met overschrijding (bijv. 60 + 50 = 110)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met overschrijding (bijv. 360 + 50 = 410)
Optellen van twee honderdtallen met tientallen met overschrijding (bijv. 360 + 250 = 610)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 360 + 52 = 412)
Optellen van honderdtal met tiental en volledig getal met overschrijding (bijv. 360 + 152 = 512)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 305 + 62 = 367)
Optellen van honderdtal met eenheid en volledig getal met overschrijding (bijv. 305 + 162 = 467)
Optellen van tiental met eenheid en tiental met overschrijding (bijv. 65 + 40 = 105)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met tiental met overschrijding (bijv. 65 + 340 = 405)
Optellen van twee tientallen met eenheden met overschrijding (bijv. 65 + 42 = 107)
Optellen van tiental met eenheid en volledig getal met overschrijding (bijv. 65 + 342 = 407)
Optellen van volledig getal en tiental met overschrijding (bijv. 365 + 40 = 405)
Optellen van volledig getal en honderdtal met tiental met overschrijding (bijv. 365 + 240 = 605)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 365 + 42 = 407)
Optellen van twee volledige getallen met overschrijding bij T (bijv. 365 + 242 = 607)
Aftrekken van honderdtal met tiental en tiental met lenen (bijv. 410 - 50 = 360)
Aftrekken van twee honderdtallen met tientallen met lenen (bijv. 610 - 250 = 360)
Aftrekken van honderdtal met tiental en tiental met eenheid met lenen (bijv. 410 - 52 = 358)
Aftrekken van volledig getal en tiental met lenen (bijv. 405 - 40 = 365)
Aftrekken van volledig getal en honderdtal met tiental met lenen (bijv. 605 - 240 = 365)
Optellen van volledig getal en eenheid met overschrijding (bijv. 347 + 5 = 352)
Optellen van volledig getal en honderdtal met eenheid met overschrijding (bijv. 347 + 205 = 552)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid met overschrijding bij E (bijv. 347 + 25 = 372)
Optellen van twee volledige getallen met overschrijding bij E (bijv. 347 + 125 = 472)
Aftrekken van volledig getal en eenheid met lenen (bijv. 352 - 5 = 347)
Aftrekken van volledig getal en honderdtal met eenheid met lenen (bijv. 552 - 205 = 347)
Aftrekken van volledig getal en tiental met eenheid met lenen bij E (bijv. 372 - 25 = 347)
Optellen met overschrijding bij zowel eenheden als tientallen (bijv. 367 + 48 = 415)
Optellen van volledige getallen met overschrijding bij E en T (bijv. 367 + 148 = 515)
Aftrekken met lenen bij zowel eenheden als tientallen (bijv. 415 - 48 = 367)
Aftrekken van volledige getallen met lenen bij E en T (bijv. 515 - 148 = 367)
Los de sommen op.
Duizendtallen optellen en aftrekken
DH + D optellen en aftrekken
DHT + D optellen en aftrekken
DHTE + D optellen en aftrekken
Duizendtal-Honderdtallen optellen en aftrekken
DH + H optellen en aftrekken
DT + H optellen en aftrekken
DE + H optellen en aftrekken
Duizendtal-Tientallen optellen en aftrekken
Duizendtal-Eenheden optellen en aftrekken
Los de sommen op.
Tienduizendtallen optellen en aftrekken
TD + D optellen en aftrekken
TDH optellen en aftrekken
TDHT optellen en aftrekken
TDHTE optellen en aftrekken
TDH + H optellen en aftrekken
TDT + H optellen en aftrekken
TDE + H optellen en aftrekken
TDT optellen en aftrekken
TDE optellen en aftrekken
Los de sommen op.
Honderdduizendtallen optellen en aftrekken
HDT + TD optellen en aftrekken
HDTH optellen en aftrekken
HDTHT optellen en aftrekken
HDTHTE optellen en aftrekken
HDTH + H optellen en aftrekken
HDTT + H optellen en aftrekken
HDTE + H optellen en aftrekken
HDTT optellen en aftrekken
HDTE optellen en aftrekken
Los de sommen op.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
Vul het ontbrekende getal in.
162 oefeningen
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en vul het juiste antwoord in.
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving (tientallen en eenheden).
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en vul het juiste antwoord in.
Lees de vraag en vul het juiste antwoord in.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent "voorganger" en "volgend" getal.
Schrijf op of het getal even of oneven is.
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van groot naar klein.
Welk tiental komt net voor en net na het gegeven getal?
Tussen welke tientallen ligt het getal?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving (tientallen en eenheden).
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste antwoord in.
Woordproblemen met getallen in verschillende contexten (geld, lengte, tijd, gewicht).
Schrijf het getal uit in woorden.
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Ontleed elk getal in de juiste posities.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving.
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste antwoord in.
Woordproblemen met getallen in verschillende contexten (geld, lengte, tijd, gewicht).
Schrijf het getal uit in woorden.
Schrijf het getal in cijfers.
Maak de Romeinse cijfers en gewone cijfers juist.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent "voorganger" en "volgend" getal.
Schrijf op of het getal even of oneven is.
Rond elk getal af naar het dichtstbijzijnde honderdtal.
Tussen welke honderdtallen ligt het getal?
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van groot naar klein.
Ontleed elk getal in de juiste posities.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Tussen welke duizendtallen ligt het getal?
Tussen welke honderdtallen ligt het getal?
Tussen welke tientallen ligt het getal?
Schrijf het getal uit in woorden.
Schrijf het getal in cijfers.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Ontleed elk getal in de juiste posities.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Tussen welke tienduizendtallen ligt het getal?
Tussen welke duizendtallen ligt het getal?
Tussen welke honderdtallen ligt het getal?
Tussen welke tientallen ligt het getal?
Schrijf het getal uit in woorden.
Schrijf het getal in cijfers.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Tel verder vanaf het gegeven getal.
Tel terug vanaf het gegeven getal.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Vul de ontbrekende getallen aan.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van groot naar klein.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Zet de getallen van klein naar groot.
Ontleed elk getal in de juiste posities.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Tussen welke honderdduizendtallen ligt het getal?
Tussen welke tienduizendtallen ligt het getal?
Tussen welke duizendtallen ligt het getal?
Tussen welke honderdtallen ligt het getal?
Tussen welke tientallen ligt het getal?
Schrijf het getal uit in woorden.
Schrijf het getal in cijfers.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
Lees de vraag en vul het juiste getal in.
44 oefeningen
Optellen en aftrekken met 1 decimaal (bijv. 3,5 + 2,1)
Optellen en aftrekken met 1 decimaal (bijv. 35,2 + 12,3)
Optellen en aftrekken met 1 decimaal (bijv. 354,2 + 123,3)
Optellen en aftrekken met 2 decimalen (bijv. 3,25 + 2,14)
Optellen en aftrekken met 2 decimalen (bijv. 35,24 + 12,13)
Optellen en aftrekken met 2 decimalen (bijv. 354,25 + 123,14)
Optellen en aftrekken met 3 decimalen (bijv. 3,245 + 2,134)
Optellen en aftrekken met 3 decimalen (bijv. 35,245 + 12,134)
Optellen en aftrekken met 3 decimalen (bijv. 354,245 + 123,134)
Schrijf het kommagetal in woorden.
Schrijf het kommagetal in cijfers.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Hoeveel gehelen en tienden zitten er in?
Splits het kommagetal in zijn delen.
Vul aan tot 1.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Zet de kommagetallen van klein naar groot.
Welk kommagetal staat op de pijl?
Bouw het kommagetal op uit de delen.
Schrijf het kommagetal in woorden.
Schrijf het kommagetal in cijfers.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Hoeveel gehelen, tienden en honderdsten zitten er in?
Splits het kommagetal volledig in zijn delen.
Bouw het kommagetal op uit de delen.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Zet de kommagetallen van klein naar groot.
Welk kommagetal staat op de pijl?
Rond af op het gevraagde tiende.
Vul aan tot het volgende tiende.
Welke splitsingen zijn fout?
Schrijf het kommagetal in woorden.
Schrijf het kommagetal in cijfers.
Welk cijfer staat op de gevraagde plaats?
Hoeveel gehelen, tienden, honderdsten en duizendsten?
Splits het kommagetal volledig in zijn delen.
Bouw het kommagetal op uit de delen.
Vul het juiste teken in: <, > of =.
Zet de kommagetallen van klein naar groot.
Welk kommagetal staat op de pijl?
Rond af op het gevraagde honderdste of tiende.
Vul aan tot het volgende honderdste.
Welke kommagetallen zijn gelijk? Vul aan.
Welke splitsingen zijn fout?
4 oefeningen
Bereken een percentage van een getal
Bereken het resultaat na een procentuele toename
Bereken het resultaat na een procentuele afname
Bepaal welk percentage het deel is van het geheel
27 oefeningen
Benoem de onderdelen van een breuk (teller, noemer, breukstreep)
Duid aan welke breuken gelijknamig zijn
Duid aan welke breuken gelijkwaardig zijn
Herken stambreuken (breuken met teller 1)
Maak breuken gelijknamig door KGV te gebruiken
Leid breuken af uit balkdiagrammen
Vul breuken in op een getallenlijn
Rangschik breuken met gelijke noemers van klein naar groot
Rangschik breuken met gelijke noemers van groot naar klein
Rangschik breuken met verschillende noemers van klein naar groot
Rangschik breuken met verschillende noemers van groot naar klein
Bereken een breuk van een geheel getal (bijv. 1/4 van 20)
Vermenigvuldig een getal met een breuk
Vereenvoudig breuken tot de kleinste vorm
Zoek gelijkwaardige breuken voor een gegeven breuk
Tel gelijknamige breuken op (bijv. 1/4 + 2/4)
Trek gelijknamige breuken af (bijv. 3/4 - 1/4)
Tel gelijknamige breuken op inclusief hele getallen (bijv. 1 1/4 + 2/4)
Trek gelijknamige breuken af inclusief hele getallen (bijv. 2 3/4 - 1/4)
Los de sommen op.
Tel ongelijknamige breuken op (bijv. 1/2 + 1/4)
Trek ongelijknamige breuken af (bijv. 3/4 - 1/2)
Tel ongelijknamige breuken op met hele getallen (bijv. 1 1/2 + 1/4)
Trek ongelijknamige breuken af met hele getallen (bijv. 2 3/4 - 1/2)
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Reken de breuken uit.
64 oefeningen
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Aftrekken van een rond honderdtal min driecijferig (bijv. 900-345)
Aftrekken van een rond honderdtal min tweecijferig (bijv. 900-45)
Aftrekken van een rond honderdtal min eencijferig (bijv. 900-5)
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
29 oefeningen
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
Los de sommen op.
58 oefeningen
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som.
Bereken per rang het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
Bereken per rang de som of het verschil.
6 oefeningen
Eenvoudige woordproblemen met optellen en aftrekken tot 20. Antwoordzin is voorgedrukt.
Woordproblemen met optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen tot 100. Antwoordzin is voorgedrukt.
Woordproblemen met alle bewerkingen tot 1000. Kinderen schrijven de antwoordzin zelf.
Woordproblemen met alle bewerkingen tot 10.000. Kinderen schrijven de antwoordzin zelf.
Woordproblemen met alle bewerkingen tot 100.000. Kinderen schrijven de antwoordzin zelf.
Woordproblemen met alle bewerkingen tot 1.000.000. Kinderen schrijven de antwoordzin zelf.
Maak gratis een account aan en genereer direct je eerste oefening.