Van basis rekenen tot meetkunde, breuken, klokken en maten omzetten.
9 oefeningen
Meet hoeken met een gradenboog
Teken hoeken met een geodriehoek
Benoem verschillende vlakke figuren
Meet lijnstukken met een liniaal
Bereken de omtrek van verschillende figuren
Bereken de oppervlakte van verschillende figuren
Zet lengtematen om (km, m, dm, cm, mm)
Zet inhoudsmaten om (l, dl, cl, ml)
Zet gewichtsmaten om (kg, hg, g, mg)
64 oefeningen
Lees de analoge klok af tot op het uur
Lees de analoge klok af tot op het half uur
Lees de analoge klok af tot op het kwartier
Lees de analoge klok af tot op 10 minuten
Lees de analoge klok af tot op 5 minuten
Lees de analoge klok af tot op de minuut nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op het uur (voormiddag: 00:00-11:59)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op het kwartier (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op de minuut (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op de seconde (voormiddag)
Lees digitale klokken af tot op het uur (namiddag: 12:00-23:59)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op het kwartier (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op de minuut (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op de seconde (namiddag)
Lees digitale klokken af tot op het uur (24-uurs formaat)
Lees digitale klokken af tot op het halve uur
Lees digitale klokken af tot op het kwartier
Lees digitale klokken af tot op 10 minuten nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op 5 minuten nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op de minuut nauwkeurig
Lees digitale klokken af tot op de seconde nauwkeurig
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:00)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:30)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:15)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:40)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:45)
Schrijf de tijd in digitaal formaat (bijv. 03:47)
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip
Teken de wijzers op de lege klok voor het digitale tijdstip (inclusief secondewijzer)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee analoge klokken (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de voormiddag (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen twee digitale klokken in de namiddag (tot op 1 minuut)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een uur)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een half uur)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op een kwartier)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 10 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 5 minuten)
Bereken het tijdsverschil tussen digitale klokken van voormiddag naar namiddag (tot op 1 minuut)
18 oefeningen
Kleur alle centen in, laat de euro munten en biljetten leeg
Kleur alle euro munten (1 en 2 euro) in, laat de centen en biljetten leeg
Kleur alle biljetten in, laat de munten en centen leeg
Zet de munten in volgorde van laag naar hoog
Zet de munten in volgorde van hoog naar laag
Omcirkel het bedrag dat het meeste waard is
Verbind het goedkoopste voorwerp met het woord goedkoopst
Verbind elk voorwerp met de prijs die je denkt dat het ongeveer kost
Verbind de afbeeldingen met de juiste prijs (3 prijscategorieën)
Je hebt een bepaald bedrag - kruis aan wat je wel/niet kunt kopen
Bereken hoeveel geld je nog nodig hebt om iets te kopen
Kleur de munten en biljetten in die je nodig hebt voor dit bedrag
Maak het bedrag met zo min mogelijk munten en biljetten
Trek een lijn tussen de munten en het juiste bedrag
Tel de munten en biljetten bij elkaar op
Trek de bedragen van elkaar af. Hoeveel houd je over?
Zet een rondje om de geldstukken die je nodig hebt voor het bedrag.
Vul het juiste teken in: < (kleiner), > (groter) of = (gelijk)
11 oefeningen
Oefen de tafel van 1 (1×1 tot 1×10)
Oefen de tafel van 2 (2×1 tot 2×10)
Oefen de tafel van 3 (3×1 tot 3×10)
Oefen de tafel van 4 (4×1 tot 4×10)
Oefen de tafel van 5 (5×1 tot 5×10)
Oefen de tafel van 6 (6×1 tot 6×10)
Oefen de tafel van 7 (7×1 tot 7×10)
Oefen de tafel van 8 (8×1 tot 8×10)
Oefen de tafel van 9 (9×1 tot 9×10)
Oefen de tafel van 10 (10×1 tot 10×10)
Mix van alle maaltafels 1 t/m 10
11 oefeningen
Oefen de deeltafel van 1 (1÷1 tot 10÷1)
Oefen de deeltafel van 2 (2÷2 tot 20÷2)
Oefen de deeltafel van 3 (3÷3 tot 30÷3)
Oefen de deeltafel van 4 (4÷4 tot 40÷4)
Oefen de deeltafel van 5 (5÷5 tot 50÷5)
Oefen de deeltafel van 6 (6÷6 tot 60÷6)
Oefen de deeltafel van 7 (7÷7 tot 70÷7)
Oefen de deeltafel van 8 (8÷8 tot 80÷8)
Oefen de deeltafel van 9 (9÷9 tot 90÷9)
Oefen de deeltafel van 10 (10÷10 tot 100÷10)
Mix van alle deeltafels 1 t/m 10
106 oefeningen
Splits getallen tot 10 in verschillende combinaties (elkaar, hartjes, plus)
Tel eenheden op tot 10
Trek eenheden af van 10
Trek eenheden af tot 10
Tel eenheden op bij een tiental
Tel een tiental op bij eenheden
Tel eenheden op zonder overschrijding
Trek eenheden af zonder overschrijding
Trek eenheden af van 20
Trek getallen af tot 20 zonder overschrijding
Tel eenheden op met overschrijding van de tien
Tel eenheden op met overschrijding naar volgende tien
Trek eenheden af met onderschrijding van de tien
Gemengde optellen en aftrekken tot 20 zonder brug
Gemengde optellen en aftrekken tot 20 met brug
Alleen opteloefeningen tot 20
Alleen aftrekoefeningen tot 20
Gemengde oefeningen met en zonder overschrijding
Tel tientallen bij elkaar op
Tel een eenheid bij een tiental op
Tel een tiental bij een eenheid op
Tel een eenheid bij een tiental-eenheid op zonder brug
Tel een tiental-eenheid bij een eenheid op zonder brug
Tel een tiental bij een tiental-eenheid op
Tel een tiental-eenheid bij een tiental op
Tel twee tiental-eenheden bij elkaar op zonder brug
Trek tientallen van elkaar af
Trek een eenheid af van een tiental-eenheid zonder brug
Trek een tiental af van een tiental-eenheid
Trek twee tiental-eenheden van elkaar af zonder brug
Trek een eenheid af van een tiental
Trek een tiental-eenheid af van een tiental
Tel een eenheid bij een tiental-eenheid op met brug
Tel een tiental-eenheid bij een eenheid op met brug
Tel twee tiental-eenheden bij elkaar op met brug
Trek een eenheid af van een tiental-eenheid met brug
Trek twee tiental-eenheden van elkaar af met brug
Optellen van honderdtal en eenheid (bijv. 300 + 5 = 305)
Optellen van honderdtal en tiental (bijv. 300 + 40 = 340)
Optellen van honderdtallen (bijv. 300 + 400 = 700)
Optellen van honderdtal en honderdtal met tiental (bijv. 300 + 140 = 440)
Optellen van honderdtal en honderdtal met eenheid (bijv. 300 + 105 = 405)
Optellen van honderdtal en tiental met eenheid (bijv. 300 + 45 = 345)
Optellen van honderdtal en volledig getal (bijv. 300 + 145 = 445)
Optellen van honderdtal met tiental en eenheid (bijv. 340 + 5 = 345)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental (bijv. 340 + 20 = 360)
Optellen van honderdtal met tiental en honderdtal (bijv. 340 + 200 = 540)
Optellen van twee honderdtallen met tientallen (bijv. 340 + 220 = 560)
Optellen van honderdtal met tiental en honderdtal met eenheid (bijv. 340 + 205 = 545)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met eenheid (bijv. 340 + 25 = 365)
Optellen van honderdtal met tiental en volledig getal (bijv. 340 + 125 = 465)
Optellen van honderdtal met eenheid en eenheid (bijv. 305 + 2 = 307)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental (bijv. 305 + 20 = 325)
Optellen van honderdtal met eenheid en honderdtal (bijv. 305 + 200 = 505)
Optellen van honderdtal met eenheid en honderdtal met tiental (bijv. 305 + 220 = 525)
Optellen van twee honderdtallen met eenheden (bijv. 305 + 202 = 507)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental met eenheid (bijv. 305 + 22 = 327)
Optellen van honderdtal met eenheid en volledig getal (bijv. 305 + 122 = 427)
Optellen van tiental met eenheid en eenheid (bijv. 45 + 2 = 47)
Optellen van tiental met eenheid en tiental (bijv. 45 + 20 = 65)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal (bijv. 45 + 300 = 345)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met tiental (bijv. 45 + 320 = 365)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met eenheid (bijv. 45 + 302 = 347)
Optellen van twee tientallen met eenheden (bijv. 45 + 23 = 68)
Optellen van tiental met eenheid en volledig getal (bijv. 45 + 323 = 368)
Optellen van volledig getal en eenheid (bijv. 345 + 2 = 347)
Optellen van volledig getal en tiental (bijv. 345 + 20 = 365)
Optellen van volledig getal en honderdtal (bijv. 345 + 200 = 545)
Optellen van volledig getal en honderdtal met tiental (bijv. 345 + 220 = 565)
Optellen van volledig getal en honderdtal met eenheid (bijv. 345 + 202 = 547)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid (bijv. 345 + 22 = 367)
Optellen van twee volledige getallen (bijv. 345 + 222 = 567)
Optellen van twee tientallen met overschrijding (bijv. 60 + 50 = 110)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met overschrijding (bijv. 360 + 50 = 410)
Optellen van twee honderdtallen met tientallen met overschrijding (bijv. 360 + 250 = 610)
Optellen van honderdtal met tiental en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 360 + 52 = 412)
Optellen van honderdtal met tiental en volledig getal met overschrijding (bijv. 360 + 152 = 512)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental met overschrijding (bijv. 305 + 60 = 365)
Optellen van honderdtal met eenheid en honderdtal met tiental met overschrijding (bijv. 305 + 260 = 565)
Optellen van honderdtal met eenheid en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 305 + 62 = 367)
Optellen van honderdtal met eenheid en volledig getal met overschrijding (bijv. 305 + 162 = 467)
Optellen van tiental met eenheid en tiental met overschrijding (bijv. 65 + 40 = 105)
Optellen van tiental met eenheid en honderdtal met tiental met overschrijding (bijv. 65 + 340 = 405)
Optellen van twee tientallen met eenheden met overschrijding (bijv. 65 + 42 = 107)
Optellen van tiental met eenheid en volledig getal met overschrijding (bijv. 65 + 342 = 407)
Optellen van volledig getal en tiental met overschrijding (bijv. 365 + 40 = 405)
Optellen van volledig getal en honderdtal met tiental met overschrijding (bijv. 365 + 240 = 605)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid met overschrijding (bijv. 365 + 42 = 407)
Optellen van twee volledige getallen met overschrijding bij T (bijv. 365 + 242 = 607)
Aftrekken van tientallen met lenen (bijv. 110 - 50 = 60)
Aftrekken van honderdtal met tiental en tiental met lenen (bijv. 410 - 50 = 360)
Aftrekken van twee honderdtallen met tientallen met lenen (bijv. 610 - 250 = 360)
Aftrekken van honderdtal met tiental en tiental met eenheid met lenen (bijv. 410 - 52 = 358)
Aftrekken van volledig getal en tiental met lenen (bijv. 405 - 40 = 365)
Aftrekken van volledig getal en honderdtal met tiental met lenen (bijv. 605 - 240 = 365)
Optellen van volledig getal en eenheid met overschrijding (bijv. 347 + 5 = 352)
Optellen van volledig getal en honderdtal met eenheid met overschrijding (bijv. 347 + 205 = 552)
Optellen van volledig getal en tiental met eenheid met overschrijding bij E (bijv. 347 + 25 = 372)
Optellen van twee volledige getallen met overschrijding bij E (bijv. 347 + 125 = 472)
Aftrekken van volledig getal en eenheid met lenen (bijv. 352 - 5 = 347)
Aftrekken van volledig getal en honderdtal met eenheid met lenen (bijv. 552 - 205 = 347)
Aftrekken van volledig getal en tiental met eenheid met lenen bij E (bijv. 372 - 25 = 347)
Optellen met overschrijding bij zowel eenheden als tientallen (bijv. 367 + 48 = 415)
Optellen van volledige getallen met overschrijding bij E en T (bijv. 367 + 148 = 515)
Aftrekken met lenen bij zowel eenheden als tientallen (bijv. 415 - 48 = 367)
Aftrekken van volledige getallen met lenen bij E en T (bijv. 515 - 148 = 367)
57 oefeningen
Tel verder vanaf een gegeven getal. Schrijf de volgende 3 getallen op.
Tel terug vanaf een gegeven getal. Schrijf de vorige 3 getallen op.
Vul de ontbrekende getallen aan in de getalrij.
Zet de getallen in de juiste volgorde van klein naar groot.
Zet de getallen in de juiste volgorde van groot naar klein.
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving (tientallen en eenheden).
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste symbool in: < (kleiner dan), > (groter dan) of = (gelijk aan).
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en schrijf het juiste antwoord op. Oefent begrippen "som" en "verschil".
Lees de vraag en schrijf het juiste antwoord op. Oefent begrippen "helft" en "dubbel".
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent "voorganger" en "volgend" getal.
Schrijf op of het getal even of oneven is.
Tel verder vanaf een gegeven getal. Schrijf de volgende 5 getallen op.
Tel terug vanaf een gegeven getal. Schrijf de vorige 5 getallen op.
Vul de ontbrekende tientallen aan in de getalrij (10-20-30...).
Vul de ontbrekende getallen aan in de getalrij.
Zet de tientallen in de juiste volgorde van klein naar groot.
Zet de getallen in de juiste volgorde van klein naar groot.
Zet de tientallen in de juiste volgorde van groot naar klein.
Zet de getallen in de juiste volgorde van groot naar klein.
Welk tiental komt net voor en net na het gegeven getal?
Tussen welke tientallen ligt het gegeven getal?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving (tientallen en eenheden).
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste symbool in: < (kleiner dan), > (groter dan) of = (gelijk aan).
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent begrippen "meer" en "minder" met tientallen.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent begrippen "tussen", "net voor" en "na".
Lees de vraag en schrijf het juiste antwoord op. Oefent begrippen "product" en "quotiënt".
Woordproblemen met getallen in verschillende contexten (geld, lengte, tijd, gewicht).
Schrijf het getal uit in woorden.
Tel verder vanaf een gegeven getal. Schrijf de volgende 5 getallen op.
Tel terug vanaf een gegeven getal. Schrijf de vorige 5 getallen op.
Vul de ontbrekende honderdtallen aan in de getalrij (100-200-300...).
Vul de ontbrekende getallen aan met honderdtallen en tientallen (420-440-460...).
Vul de ontbrekende getallen aan in de getalrij.
Vul de ontbrekende getallen aan met honderdtallen en eenheden (402-404-406...).
Zet de getallen in de juiste volgorde van klein naar groot.
Zet de getallen in de juiste volgorde van groot naar klein.
Ontleed elk getal in honderdtallen (H), tientallen (T) en eenheden (E).
In 582: welk cijfer staat op de plaats van de tientallen?
Maak het juiste getal op basis van de beschrijving (honderdtallen, tientallen en eenheden).
Kijk naar de getallenlijn. Welk getal staat op de pijl?
Vul het juiste symbool in: < (kleiner dan), > (groter dan) of = (gelijk aan).
Schrijf alle getallen op die tussen de twee gegeven getallen liggen.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent begrippen "meer" en "minder" met tientallen/honderdtallen.
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent begrippen "tussen", "net voor" en "na".
Lees de vraag en schrijf het juiste antwoord op. Oefent begrippen "product" en "quotiënt".
Woordproblemen met getallen in verschillende contexten (geld, lengte, tijd, gewicht).
Schrijf het getal uit in woorden.
Schrijf het getal in cijfers (van woorden naar cijfers).
Converteer tussen Arabische cijfers en Romeinse cijfers (beide richtingen).
Lees de vraag en schrijf het juiste getal op. Oefent "voorganger" en "volgend" getal.
Schrijf op of het getal even of oneven is.
Welk honderdtal komt net voor en net na het gegeven getal?
Tussen welke honderdtallen ligt het gegeven getal?
27 oefeningen
Benoem de onderdelen van een breuk (teller, noemer, breukstreep)
Duid aan welke breuken gelijknamig zijn
Duid aan welke breuken gelijkwaardig zijn
Herken stambreuken (breuken met teller 1)
Maak breuken gelijknamig door KGV te gebruiken
Leid breuken af uit balkdiagrammen
Vul breuken in op een getallenlijn
Rangschik breuken met gelijke noemers van klein naar groot
Rangschik breuken met gelijke noemers van groot naar klein
Rangschik breuken met verschillende noemers van klein naar groot
Rangschik breuken met verschillende noemers van groot naar klein
Bereken een breuk van een geheel getal (bijv. 1/4 van 20)
Vermenigvuldig een getal met een breuk
Vereenvoudig breuken tot de kleinste vorm
Zoek gelijkwaardige breuken voor een gegeven breuk
Tel gelijknamige breuken op (bijv. 1/4 + 2/4)
Trek gelijknamige breuken af (bijv. 3/4 - 1/4)
Tel gelijknamige breuken op inclusief hele getallen (bijv. 1 1/4 + 2/4)
Trek gelijknamige breuken af inclusief hele getallen (bijv. 2 3/4 - 1/4)
Gemengde optellen en aftrekken van gelijknamige breuken
Tel ongelijknamige breuken op (bijv. 1/2 + 1/4)
Trek ongelijknamige breuken af (bijv. 3/4 - 1/2)
Tel ongelijknamige breuken op met hele getallen (bijv. 1 1/2 + 1/4)
Trek ongelijknamige breuken af met hele getallen (bijv. 2 3/4 - 1/2)
Gemengde optellen en aftrekken van ongelijknamige breuken
Gemengde bewerkingen met hele getallen en breuken
Volledig gemengde oefeningen: gelijk/ongelijknamig, met/zonder gehelen
64 oefeningen
Cijferend optellen van twee tweecijferige getallen zonder brug (bijv. 35+23)
Cijferend optellen van tweecijferig + eencijferig zonder brug (bijv. 35+3)
Cijferend optellen van twee tweecijferige getallen met brug (bijv. 35+27)
Cijferend optellen van tweecijferig + eencijferig met brug (bijv. 35+8)
Cijferend aftrekken van twee tweecijferige getallen zonder brug (bijv. 35-23)
Cijferend aftrekken van tweecijferig - eencijferig zonder brug (bijv. 35-2)
Cijferend aftrekken van twee tweecijferige getallen met brug (bijv. 35-28)
Cijferend aftrekken van tweecijferig - eencijferig met brug (bijv. 35-9)
Gemengde optellen en aftrekken sommen zonder brug
Gemengde optellen en aftrekken sommen met brug
Gemengde optellen en aftrekken sommen met en zonder brug
Cijferend vermenigvuldigen van tweecijferig x eencijferig (bijv. 35x4)
Cijferend delen van tweecijferig door eencijferig
Cijferend optellen van twee driecijferige getallen zonder brug (bijv. 563+132)
Cijferend optellen van driecijferig + tweecijferig zonder brug (bijv. 563+12)
Cijferend optellen van driecijferig + eencijferig zonder brug (bijv. 563+1)
Cijferend optellen met brug bij de eenheden (bijv. 563+129)
Cijferend optellen met brug bij de eenheden (bijv. 563+29)
Cijferend optellen met brug bij de eenheden (bijv. 563+9)
Cijferend optellen met brug bij de tientallen (bijv. 563+181)
Cijferend optellen met brug bij de tientallen (bijv. 563+65)
Cijferend optellen met brug bij tientallen en eenheden (bijv. 563+189)
Cijferend optellen met brug bij tientallen en eenheden (bijv. 563+58)
Gemengde optelsommen zonder brug tot 1000
Gemengde optelsommen met brug tot 1000
Gemengde optelsommen met en zonder brug tot 1000
Cijferend aftrekken van twee driecijferige getallen zonder brug (bijv. 563-231)
Cijferend aftrekken van driecijferig - tweecijferig zonder brug (bijv. 563-31)
Cijferend aftrekken van driecijferig - eencijferig zonder brug (bijv. 563-1)
Cijferend aftrekken met brug bij de eenheden (bijv. 563-239)
Cijferend aftrekken met brug bij de eenheden (bijv. 563-58)
Cijferend aftrekken met brug bij de eenheden (bijv. 563-8)
Cijferend aftrekken met brug bij de tientallen (bijv. 563-291)
Cijferend aftrekken met brug bij de tientallen (bijv. 563-82)
Cijferend aftrekken met brug bij tientallen en eenheden (bijv. 563-189)
Cijferend aftrekken met brug bij tientallen en eenheden (bijv. 563-78)
Aftrekken van een rond honderdtal min driecijferig (bijv. 900-345)
Aftrekken van een rond honderdtal min tweecijferig (bijv. 900-45)
Aftrekken van een rond honderdtal min eencijferig (bijv. 900-5)
Gemengde aftreksommen zonder brug tot 1000
Gemengde aftreksommen met brug tot 1000
Gemengde aftreksommen met en zonder brug tot 1000
Gemengde optellen en aftrekken sommen zonder brug tot 1000
Gemengde optellen en aftrekken sommen met brug tot 1000
Gemengde optellen en aftrekken sommen met en zonder brug tot 1000
Cijferend vermenigvuldigen zonder brug (bijv. 223x3)
Cijferend vermenigvuldigen met brug bij eenheden (bijv. 228x3)
Cijferend vermenigvuldigen met brug bij tientallen (bijv. 461x2)
Cijferend vermenigvuldigen met brug bij tientallen en eenheden (bijv. 246x3)
Gemengde vermenigvuldigingssommen tot 1000
Cijferend delen zonder rest (bijv. 969:3)
Cijferend delen waarbij het honderdtal kleiner is dan de deler (bijv. 217:3)
Cijferend delen met rest (bijv. 825:2 = 412 rest 1)
Gemengde deelsommen tot 1000
Gemengde vermenigvuldigings- en deelsommen tot 1000
Gemengde sommen met alle operaties tot 1000
Cijferend optellen van twee viercijferige getallen zonder brug
Cijferend optellen van viercijferig + driecijferig zonder brug
Cijferend optellen van viercijferig + tweecijferig zonder brug
Cijferend optellen van viercijferig + eencijferig zonder brug
Cijferend aftrekken van twee viercijferige getallen zonder brug
Cijferend aftrekken van viercijferig - driecijferig zonder brug
Cijferend aftrekken van viercijferig - tweecijferig zonder brug
Cijferend aftrekken van viercijferig - eencijferig zonder brug
Maak gratis een account aan en genereer direct je eerste oefening.